Schriftlezing: Marcus 5, 21-43 (Mattheüs 9, 18-26Lukas 8, 40-56)

Broeders en zusters in Christus, het evangelie draait vandaag mede rond de genezing van de bloedvloeiende vrouw, wat eigenlijk raar is. Niemand verwacht dit namelijk, Jezus zelf ook niet, gezien zijn reactie. Alle genezingen die Jezus verricht gaan uit van hem, maar hier is dat niet het geval. De genezing gaat als ’t ware buiten Jezus om. De vrouw profiteert clandestien van de genezende kracht, die Jezus in zich heeft. Zij legt haar hand op Jezus kleed en dat was genoeg om rein te worden na zoveel jaren geleden te hebben aan bloedvloeiing.

Maar het verhaal begint met Jaïrus die Jezus ten voeten viel en hem vraagt om haar de handen op te leggen, daar ze ziek is en stervende.

Wij in de katholiek kerk leggen onze zieken die in stervensgevaar zijn en als hierom gevraagd wordt ook de handen op. De overste van de synagoge Jaïrus zou zo graag willen, vernemen wij, dat zijn dochtertje  “geneest en leeft”.  

In het sacrament der zieken bidt de priester om kracht en genezing en dat hij of zij mag leven, daartoe bidt de priester om de kracht van de heilige Geest, die heelt en geneest en legt de zieke de handen op en zalft het hoofd en de handen.

Door het jaar heen word ik regelmatig bij een zieke die stervende is geroepen om het laatste sacrament tot te dienen. En het laatste sacrament is niet het sacrament van boete en verzoening dat aanbod komt, ook niet de zalvingen met de olie van de zieken, maar de uitreiking van de communie, zoals u allen mogelijk weet. Gelijk we zien in het evangelie als Jezus het meisje gered heeft zegt hij geef haar te eten. Dat is ook het laatste sacrament die de zieke na de zalving en handoplegging van de priester ontvangt, brood om aan te sterken, boord ten leven, voedsel voor onderweg, hemelse brood, de hostie.

Terug naar de vrouw die twaalf jaar aan bloedvloeiing leed. Zij is langdurig ziek en daarbij onrein en in de gemeenschap een uitgestotene. Volgens de Levietische wetten mocht niemand haar aanraken en zij mocht anderen ook niet aanraken. Maar zij hoopt al lang op genezing en zij zag nu haar kans, dat ze stiekem, onopgemerkt in het gewoel van de mensen, Jezus besluipt en zonder te vragen hem aanraakt. Blijkbaar had zij geen andere keus. Zij had van Jezus gehoord en dacht: dit is mijn laatste kans, die moet ik pakken!

En wat blijkt haar geloof is haar redding die dag. Al moest ze daar alle geldende regels voor overtreden, de fatsoen regels en de reinheidswetten die voor haar van kracht waren. Maar God dank wordt ze daarvoor niet bestraft maar haar geloof en moed wordt beloond dat Jezus.

Je hoort in de wandelgangen dat Jezus de geloofsregels die bestonden niet respecteert en daar wordt hem aangerekend zoals we allen weten. Voor Jezus daarentegen is het geloof van de persoon die bij hem komt essentieel. Zo ook bij deze vrouw.

Te veel binden wij het geloof aan allerlei normen en is het vastgelegd in dogma’s en regels. En te lang waren we daar zo op gefocust in de kerk dat alleen daarom tal van mensen de kerk verlaten heeft. Het “hoe” was helaas belangrijker dan het “dat”.  

Maar voor Jezus was dat je gelooft essentieel en niet het hoe. Dat vonden de bisschoppen bij het tweede Vaticaans concilie ook.  Jezus nu wilde perse weten wie hem had aan geraakt, niet om de persoon straffend toe te spreken, aan te spreken op onfatsoen zoals de leerlingen blijkbaar dachten. Neen, Jezus wilde weten wie zich zo in angst gedreven voelde en in nood verkeerde en zich anoniem tot Hem wendde om hulp. Dit in tegenstelling tot de overste van de synagoge die zich keurig hield aan alle geldende regels van fatsoen enz.

Jezus wilde weten wie het was omdat Hij met mensen meeleeft en in zijn goedheid wilde troosten en bemoedigen. Hij was niet boos om haar vrijpostigheid. Hij wilde zien wie het was die zo in Hem geloofde.

Intussen staat Jaïrus daar maar tussen al die mensen en voelt hij zich mogelijk wel aan zijn lot overgelaten terwijl hij degene was die als eerste Jezus om hulp had gevraagd.  Zo hij niet gedacht hebben, mens schiet op, zo dadelijk ben je te laat voor de redding van mijn ziek kind.

En jawel hoort, tot overmaat van ramp kwamen daar al mensen vanuit zijn huis hem vertellen, dat zijn dochtertje inmiddels gestorven was en dat hij de Meester verder maar niet moest lastig vallen.

Door dat oponthoud met dat mens is nu zijn kind gestorven! Wat moet er niet door Jaïrus heengegaan zijn? Met welke gevoelens moet Jaïrus er bij gestaan hebben, terwijl Jezus alle aandacht had voor die onreine vrouw en blijkbaar zijn kind vergeten was? Zijn kind was nota bene in direct levensgevaar, en dat was die vrouw toch niet!

Was Jezus dat kind vergeten en die vader die hem beleefd om hulp had gevraagd? Nee, zeker niet. Zo zal dit ook echt gaan blijken. Jezus vraagt om te blijven geloven. Hij verzekert het kind is niet dood.

Dan neem de Heer Petrus, Jakobus en Johannes mee, de leerlingen die ook bij de verheerlijking op de berg aanwezig zullen zijn.

Toen Jezus zei tegen de rouwende aanwezigen dat het kind niet was gestorven, maar sliep lachten zij Hem uit! In feite is het de satan, die niet voor waar wil hebben, dat Jezus de Machtige is, dat Hij de dood overwint. Daarom staat er met zoveel nadruk: maar Hij, Hij “ekballei”, Hij werpt ze uit! Er uit jullie!

Waar Jezus, de Zoon van God optreedt, is geen plaats voor ongeloof. Het is de Satan er uit, uit huis en Hij er in!

Daar staat Jezus dan. Hij pakt de hand van het kind en roept haar op te staan, zoals Hij ook bij Lazarus gedaan heeft, toen Hij bij zijn graf stond en hem uit de doden riep. De doden mocht je volgens de reinigingswet uit Levieticus niet aanraken. Maar Jezus laat de doden niet los, Hij reikt de doden zijn hand omdat ze leven. Zo gebeurde het ook met die jongen uit Naïn, de enige zoon van een weduwe, toen Jezus de baar liet stil staan en de jongen aanraakte.

Wij zien en onderkennen in alle gelederen en culturen dat handen geven essentieel is en belangrijk, dat geeft contact, daardoor stroomt er iets van jou in die ander over. Van kracht, liefde, zorg, aandacht en ja, ook bepaalden stoffen en antistoffen geven we zo aan elkaar door. Dat ook in alle culturen en gelederen het belang erkent en verstaan wordt dat je handen met water wast nadat je in contact bent geweest met onreine zaken of als ze vuil zijn geworden door werken en van buiten komt naar binnen, en na contact met een zieke en een dode. In feite zou achter onder de toren een grote wasbekken met stromend water voor handen moeten zijn waar je je handen kunt wassen voordat je Gods huis betreedt, gelijk in menig woonhuis je eerst in de bijkeuken je kunt opfrissen en handen kunt wassen voordat je binnenkomt.

Laten we elkaar dan ook weer aanraken en elkaar de handen geven in het leven, het geeft vitaliteit. En vandaag zien we wat het doet dat juist gezonde personen de zieke en stervende aanraakt. Zeker moeten we dat in deze tijd doen, ook vandaag bij de vredegroet.  Mijn oproep is in de lijn van Jezus optreden, wees niet bang en geloof.

Geef elkaar de hand, een uitgestrekte en helpende hand, een heelde en krachtige hand, het voelt niet alleen goed, het doet ook goed. Handen geven en opleggen is van vitaal belang voor elk mens.

Zo geef je vitaliteit door, dat wist Jezus als geen ander. Onze handen zijn werktuig van God die leven geeft. Amen.