Gedoopt is op zondag 27 november, 1e zondag van de Advent, nieuwe kerkelijke jaar a -Bram Johannes Thomas Crusio – 05-03-2021 – zoon van Tim en Kim uit Westerbeek.
Gedoopt wordt op zondag 18 december, 4e zondag van de Advent, nieuwe kerkelijke jaar a -Josh Theodorus Franciscus Polman – 17-06-2022 – zoon van Jelle en Sanne uit St.Anthonis
Het doopsel is het eerste van de drie fundamentele sacramenten van christelijke intitiatie, en maakt je tot lid van de Kerk, de gemeenschap van heiligen; door het sacrament van het doopsel wordt je opnieuw geboren door water en heilige Geest en begint je een nieuw leven ‘in Christus’.
Doopsel is een onuitwisbaar merkteken, zegel van de heilige Geest, gave Gods.
Daarom ontvangt iemand het doopsel slechts éénmaal en kan het niet herhaald worden.
(Marcus 1, 5;7-9) In de woestijn ten tijde van Jezus doopte Johannes met water en verkondigde een doop van bekering. Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen te hoop. Ze lieten zich door Johannes dopen in de rivier de Jordaan onder het belijden van hun zonden. Hij wist en zei: `Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben niet waardig om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met heilige Geest.’ Jezus van Nazaret liet zich door Johannes in de Jordaan dopen, hij die zonder zonde was. Johannes wees hem aan als Lam Gods in die dagen.
De doop als sacrament stelde Christus nadat hij gestorven en verrezen was in. Hij droeg de apostelen, de Kerk, expliciet op: “Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.” (Mattheus 28, 19). In navolging van Johannes de Doper was het bij de eerste christenen gebruik om de dopeling met zijn hele lichaam in water onder te dompelen. Alleen als dit praktisch onmogelijk was, beperkte men zich tot het besprenkelen van het hoofd van de dopeling met water. In de eerste eeuwen van het christendom werd het sacrament van de doop vooral aan volwassenen toegediend.
De eerste christenen beleefden de doop, zo dachten zij, door de onderdompeling in, en het opduiken uit het water, dat zij op symbolische wijze respectievelijk deel aan de dood en de verrijzenis van Jezus Christus zouden krijgen. Deze gedachten gaan op uiteenzettingen van de apostel Paulus terug.
Paulus zag het onderduiken van de dopeling in het water als een afbeelding van Jezus’ afdaling in het graf. De dopeling werd door de onderdompeling als het ware ‘mede gekruisigd’ en ‘met Christus begraven’. Eenmaal onder water verbleef de dopeling kortstondig in een ‘watergraf’: symbool voor het echte graf van Christus. Het opduiken van de dopeling uit het water, daarna, was dan een symbolische nabootsing van de verrijzenis, waar de gelovige door zijn doop deel aan krijgt. Let wel: in het Oude Testament was het rijk van de dood in ‘onderaardse wateren’ gelocaliseerd. Bij de doop kon het opduiken uit het water daarom door de eerste christenen als een krachtige symbolische overwinning op de dood worden beleefd.
De doop verwijst ook naar de oudtestamentische verhalen van de Schepping, de Zondvloed, de ark van Noach, de tocht door de Rode Zee, alle geloofsverhalen waarin het Verbond van God hernieuwd en bevestigd wordt, wat het doopsel in beginsel ook is. Je bent een nieuwe Schepping. Je ontvangt het kindschap van God.
De kerkvaders voerden het beeld van het watergraf, in navolging van Paulus, nog een stap verder door. In het watergraf stierf de dopeling in zekere zin, om daarna opnieuw geboren te worden. De oude, zondige mens bleef in het watergraf achter, en uit het water stond een nieuwe mens op: een mens met een nieuw leven in Gods Geest.
Bij de kerk is een apart doopkapel. Vaak een baptisterium en achthoekig, omdat gelovigen door het doopsel het nieuwe leven van de verrezen Jezus verkrijgen. Jezus stond uit de dood daags na de sabbat (zevende dag), op. Dit was de eerste dag van de week, deze dag word door christenen ook wel de Achtste Dag genoemd. Dit maakt dat de doop op de zondag, de eerste dag van de week, de dag van de verrijzenis, de dag waarop Jezus leeft, wordt toegediend. Jij wordt door de doop met Jezus bekleedt, nieuwe mens, vrij van kwaad en zonde.
Doopvoorbereiding
Om de harten van nieuwe gelovigen al voor hun doop te zuiveren kende de Kerk een uitgebreide voorbereiding op de doop, het catechumenaat.
De hedendaagse doopvoorbereiding gaat terug op het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Uitgangspunt bij de hedendaagse voorbereiding op de volwassenendoop is steeds de individuele levensweg van de kandidaat, die in het perspectief van de Schrift, de kerkelijke traditie en de geloofsgemeenschap nader wordt geduid.
In de katholieke traditie ontstond het goede gebruik om ook de kinderen te dopen, het hele gezin. Uiteraard kan een kind nog niet geloven. Daarom wordt het gedoopt op grond van het geloof van de ouders/verzorgers. Omdat de ouders deel uitmaken van de plaatselijke geloofsgemeenschap – bisdom – die weer onderdeel uitmaakt van de wereldkerk, is het uiteindelijk de gehele Kerk die met haar geloof garant staat als een kind wordt gedoopt. Dit wordt kracht bijgezet door peetouders aan te stellen bij een kinderdoop. Zij staan de ouders bij in hun taak waar nodig en vertegenwoordigen de gehele Kerk. Dit maakt dat ook zij gedoopt, gevormd en in de volheid van de geloofsgemeenschap opgenomen dienen te zijn.
De sacramentele doop met water is door Christus als onontbeerlijk middel tot heil van de gelovigen ingesteld. Maar wat dan van de ongedoopten: zijn deze mensen reddeloos verloren? Zeker niet. Gods genade is niet aan de sacramentele doop alleen gebonden.
In het canoniek recht van de katholieke kerk wordt het sacrament van het doopsel uitgewerkt in boek 4, deel 1. De canons – regels – die het geloof en de leer verwoorden staan hieronder weergegeven.