BOEK II – Volk van God
DEEL I – De christengelovigen
Can. 204
– § 1 Christengelovigen zijn zij die, door het doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God gemaakt, en aldus aan de priesterlijke, profetische en koninklijke taak van Christus op hun wijze deelachtig, ieder volgens zijn eigen plaats, geroepen worden de zending uit te voeren die God aan de Kerk ter vervulling in de wereld toevertrouwd heeft.
– § 2 Deze Kerk, in deze wereld als georganiseerde gemeenschap ingericht en geordend, bestaat in de katholieke Kerk, door de opvolger van Petrus en door de Bisschoppen in gemeenschap met hem bestuurd.
Can. 205 – Volledig in de gemeenschap van de katholieke Kerk hier op aarde zijn die gedoopten die in haar zichtbaar verband met Christus verbonden zijn, door de banden namelijk van de geloofsbelijdenis, van de sacramenten en van het kerkelijk bestuur.
Can. 206
– § 1 Op een bijzondere wijze zijn met de Kerk verbonden de catechumenen, die namelijk, bewogen door de Heilige Geest, expliciet hun wil te kennen geven en vragen erbij ingelijfd te worden, en daarom door dit verlangen zelf, evenals ook door het leven van geloof, hoop en liefde dat zij leiden, met de Kerk verbonden zijn, die zorg voor hen draagt als behoorden zij reeds tot haar.
– § 2 Voor de catechumenen heeft de Kerk een bijzondere zorg; terwijl zij hen uitnodigt een evangelisch leven te leiden en hen inleidt tot het vieren van de heilige riten, verleent zij hun reeds verschillende voorrechten die aan christenen eigen zijn.
Can. 207
– § 1 Krachtens goddelijke instelling zijn er onder de christengelovigen in de Kerk gewijde bedienaren, die in het recht ook clerici genoemd worden; de overigen echter worden ook leken genoemd.
– § 2 In elk van deze beide groepen zijn er christengelovigen die door de professie van de evangelische raden door geloften of andere gewijde bindingen, door de Kerk erkend en bekrachtigd, zich op hun eigen bijzondere wijze aan God toewijden en de heilszending van de Kerk dienen; hun staat behoort, hoewel niet tot de hiërarchische structuur van de Kerk; niettemin tot haar leven en haar heiligheid.
Can. 208 – Tussen alle christengelovigen, en wel krachtens hun wedergeboorte in Christus, bestaat een ware gelijkheid in waardigheid en handelen, waardoor allen, ieder overeenkomstig de eigen plaats en taak, aan de opbouw van het Lichaam van Christus meewerken.
Can. 209
– § 1 De christengelovigen zijn gebonden aan de verplichting, ook in hun eigen handelwijze, altijd de gemeenschap met de Kerk te bewaren.
– § 2 Met grote nauwgezetheid dienen zij de plichten te vervullen waartoe zij gehouden zijn zowel jegens de Kerk als geheel als jegens de particuliere Kerk waartoe zij volgens de voorschriften van het recht behoren.
Can. 210 – Alle christengelovigen moeten overeenkomstig de eigen plaats hun krachten aanwenden om een heilig leven te leiden alsook om de groei van de Kerk en haar voortdurende heiliging te bevorderen.
Can. 211 – Alle christengelovigen hebben de plicht en het recht zich ervoor in te zetten dat de goddelijke heilsboodschap meer en meer tot alle mensen van alle tijden en van de gehele wereld doordringt.
Can. 212
– § 1 Ten aanzien van hetgeen de gewijde Herders, Christus vertegenwoordigend, als geloofsleraren verklaren of als bestuurders van de Kerk bepalen, zijn de christengelovigen, in het besef van hun eigen verantwoordelijkheid, gehouden een christelijke gehoorzaamheid te betonen.
– § 2 De christengelovigen komt het onverminderd toe hun noden, in het bijzonder van geestelijke aard, en hun wensen aan de Herders van de Kerk kenbaar te maken.
– § 3 Naargelang van de kennis, de deskundigheid en het aanzien dat zij genieten, hebben zij het recht, zelfs ook soms de plicht, hun mening over wat het welzijn van de Kerk aangaat aan de gewijde Herders kenbaar te maken en deze, met behoud van de zuiverheid van geloof en zeden en van de eerbied jegens de Herders, en rekening houdend met het algemeen nut en de waardigheid van de personen, aan de overige christengelovigen bekend te maken.
Can. 213 – De christengelovigen hebben het recht uit de geestelijke goederen van de Kerk, vooral uit het woord Gods en de sacramenten, bijstand van de gewijde Herders te ontvangen.
Can. 214 – De christengelovigen hebben het recht de eredienst aan God te voltrekken volgens de voorschriften van de eigen, door de wettige Herders van de Kerk goedgekeurde ritus, en een eigen vorm van geestelijk leven te volgen, in overeenstemming evenwel met de leer van de Kerk.
Can. 215 – Het komt de christengelovigen onverminderd toe vrij verenigingen te stichten en te leiden met doelstelling van caritas of vroomheid of ter bevordering van de christelijke roeping in de wereld, en bijeenkomsten te houden om deze doelstellingen gemeenschappelijk na te streven.
Can. 216 – Alle christengelovigen hebben, daar zij immers deel hebben aan de zending van de Kerk, het recht ook door eigen initiatieven, naargelang van ieders staat en plaats, de apostolische activiteit te bevorderen of te ondersteunen; geen enkel initiatief evenwel mag aanspraak maken op de naam katholiek tenzij met bijkomende toestemming van de bevoegde kerkelijke overheid.
Can. 217 – De christengelovigen hebben, daar zij door het doopsel geroepen zijn een leven te leiden in overeenstemming met de evangelische leer, het recht op een christelijke opvoeding, waardoor zij op de juiste wijze onderricht worden om tot de rijpheid van de menselijke persoon te komen en tegelijkertijd het heilsmysterie te leren kennen en beleven.
Can. 218 – Wie zich toeleggen op de gewijde wetenschappen, genieten een gerechte vrijheid om onderzoek te verrichten alsook om hun mening naar wijs oordeel bekend te maken in zaken waarin zij deskundig zijn, met behoud van de verschuldigde volgzaamheid jegens het leergezag van de Kerk.
Can. 219 – Alle christengelovigen genieten het recht om in het kiezen van hun levensstaat vrij te zijn van welke dwang ook.
Can. 220 – Het is niemand geoorloofd de goede naam die iemand geniet onwettig te schaden, of het recht te schenden van wie ook om de eigen privacy te bewaren.
Can. 221
– § 1 De christengelovigen komt het toe de rechten die zij in de Kerk genieten, wettig op te eisen en te verdedigen voor een bevoegde kerkelijke instantie volgens het recht.
– § 2 De christengelovigen hebben eveneens het recht om, indien zij door een bevoegde overheid voor het gerecht gedaagd worden, geoordeeld te worden met inachtneming van de voorschriften van het recht, welke met billijkheid toegepast moeten worden.
– § 3 De christengelovigen hebben het recht dat hun geen canonieke straffen opgelegd worden tenzij volgens de wet.
Can. 222
– § 1 De christengelovigen zijn aan de verplichting gehouden in de noden van de Kerk te voorzien, opdat zij kan beschikken over datgene wat voor de goddelijke eredienst, voor de werken van apostolaat en caritas en voor een passend onderhoud van haar bedienaren noodzakelijk is.
– § 2 Zij zijn ook aan de verplichting gehouden de sociale rechtvaardigheid te bevorderen alsook, het voorschrift van de Heer indachtig, uit eigen middelen de armen bij te staan.
Can. 223
– § 1 Bij het uitoefenen van hun rechten moeten de christengelovigen zowel ieder afzonderlijk als samen in verenigingen rekening houden met het algemeen welzijn van de Kerk alsook met de rechten van anderen en hun eigen plichten jegens anderen.
– § 2 Het komt de kerkelijke overheid toe om, met het oog op het algemeen welzijn, de uitoefening van de rechten die de christengelovigen eigen zijn, te regelen.
Boek II Deel I Titel II Verplichtingen en rechten van christengelovigen-leken 224-231
Can. 224 – Naast die verplichtingen en rechten welke voor alle christengelovigen gemeenschappelijk zijn en naast die welke in andere canones bepaald worden, zijn christengelovigen-leken gehouden aan de verplichtingen en genieten zij de rechten die in de canones van deze titel opgesomd worden.
Can. 225
– § 1 De leken zijn, daar zij zoals alle christengelovigen door middel van het doopsel en het vormsel door God tot het apostolaat bestemd zijn, gehouden aan de algemene verplichting en genieten het recht, hetzij ieder afzonderlijk hetzij gezamenlijk in verenigingen, er zich voor in te zetten dat de goddelijke heilsboodschap door alle mensen overal ter wereld gekend en aanvaard wordt; deze verplichting dringt zelfs des te meer in die omstandigheden waarin de mensen alleen door hen het Evangelie kunnen horen en Christus leren kennen.
– § 2 Ook zijn zij aan de bijzondere plicht gehouden, ieder evenwel overeenkomstig de eigen plaats, de orde van het tijdelijke met de geest van het Evangelie te doordringen en te vervolmaken, en zo op bijzondere wijze bij het behandelen hiervan en bij het uitoefenen van wereldlijke functies getuigenis van Christus af te leggen.
Can. 226
– § 1 Wie in de huwelijksstaat leven, zijn, overeenkomst de eigen roeping, aan de bijzondere plicht gehouden zich door hun huwelijk en gezin in te zetten voor de opbouw van het volk Gods.
– § 2 De ouders zijn, omdat zij aan de kinderen het leven geschonken hebben, gehouden aan de zeer zware verplichting en genieten het recht dezen op te voeden; daarom is het op de eerste plaats de taak van de christelijke ouders zorg te dragen voor een christelijke opvoeding van de kinderen volgens de door de Kerk overgeleverde leer.
Can. 227 – Christengelovigen-leken hebben het recht dat hun in zaken van de burgerlijke samenleving de vrijheid toegekend wordt welke alle burgers toekomt; bij het gebruik maken echter van deze vrijheid dienen zij er zorg voor te dragen dat hun handelen doordrongen is van de evangelische geest, en dienen zij de door het leergezag van de Kerk voorgehouden leer voor ogen te houden, waarbij zij zich er evenwel voor hoeden bij open kwesties hun eigen mening als de leer van de Kerk voor te stellen.
Can. 228
– § 1 Leken die geschikt bevonden worden, zijn bekwaam om door de gewijde Herders aangenomen te worden voor die kerkelijke ambten en taken die zij volgens de voorschriften van het recht kunnen vervullen.
– § 2 Leken die zich door de vereiste kennis, wijsheid en aanzien onderscheiden, zijn bekwaam als deskundigen of adviseurs, ook in raden volgens het recht, de Herders van de Kerk bij te staan.
Can. 229
– § 1 De leken zijn, om overeenkomstig de christelijke leer te kunnen leven en deze ook zelf te kunnen verkondigen en, indien nodig, verdedigen, en opdat zij in de uitoefening van het apostolaat hun eigen aandeel kunnen hebben, gehouden aan de verplichting en genieten het recht een kennis van deze leer te verwerven die aangepast is aan de eigen bekwaamheid en plaats van ieder.
– § 2 Zij genieten ook het recht de meer volledige kennis te verwerven in de gewijde wetenschappen die aan kerkelijke universiteiten of faculteiten of in instituten van godsdienstwetenschappen onderwezen worden, daar de colleges bij te wonen en academische graden te behalen.
– § 3 Eveneens zijn zij, met inachtneming van de voorschriften die bepaald zijn betreffende de vereiste geschiktheid, bekwaam van de wettige kerkelijke overheid een leeropdracht in de gewijde wetenschappen te ontvangen.
Can. 230
– § 1 Mannelijke leken die over de door een decreet van de bisschoppenconferentie bepaalde leeftijd en gaven beschikken, kunnen door de voorgeschreven liturgische ritus vast aangesteld worden tot de bediening van lector en van acoliet; deze verlening van bedieningen evenwel brengt voor hen niet het recht met zich mee op een door de Kerk te verschaffen onderhoud of vergoeding.
– § 2 Leken kunnen krachtens een tijdelijke aanstelling bij liturgische handelingen de taak van lector vervullen; ook kunnen alle leken de taken van commentator, cantor of andere vervullen volgens het recht.
– § 3 Waar de nood van de Kerk dit wenselijk maakt, kunnen bij gebrek aan bedienaren ook leken, al zijn zij geen lector of acoliet, sommige van hun taken waarnemen, namelijk de bediening van het woord uitoefenen, in liturgische gebeden voorgaan, het doopsel toedienen en de heilige Communie uitreiken, volgens de voorschriften van het recht.
Can. 231
– § 1 Leken die blijvend of tijdelijk voor een bijzondere dienst van de Kerk aangesteld worden, zijn aan de verplichting gehouden de geschikte vorming te verwerven welke vereist is om hun taak naar behoren te vervullen en deze taak gewetensvol, zorgvuldig en nauwgezet te vervullen.
– § 2 Onverminderd het voorschrift van can. 230, § 1 hebben zij recht op een passende, aan hun plaats aangepaste vergoeding waarmee zij op een behoorlijke wijze, met inachtneming ook van de voorschriften van het burgerlijk recht, in hun eigen noden en in die van hun gezin kunnen voorzien; eveneens komt hun het recht toe dat naar behoren gezorgd wordt voor wat men noemt hun sociale voorzieningen, sociale zekerheid en geneeskundige bijstand.
Can. 96 – Door het doopsel wordt de mens ingelijfd in de Kerk van Christus en daarin tot persoon gemaakt met de plichten en rechten die aan christenen, gelet evenwel op hun positie, eigen zijn, voor zover ze in de kerkelijke gemeenschap zijn en als een wettig opgelegde sanctie dit niet verhindert.
Can. 102 – § 1 Domicilie wordt verkregen door dat verblijf in het gebied van een parochie of ten minste van een diocees, dat ofwel verbonden is met de bedoeling daar voorgoed te blijven als er geen reden is om daar weg te gaan, ofwel vijf volle jaren geduurd heeft.